Het grootste deel van het Texelse bos is in het begin van de 20e eeuw aangeplant. In het begin plantte Staatsbosbeheer voornamelijk dennen, vandaar de benaming ‘De Dennen’. Oorspronkelijk was het bos bedoeld voor de houtproductie. Het bos heeft nu een natuur- en recreatieve functie. Staatsbosbeheer probeert meer variatie in het bos te brengen door de dennen te vervangen door loofbomen. Daarnaast worden open plekken en overgangen van bossen, weiden en moerasgebieden gecreëerd.
In het vroege voorjaar zult u veel sneeuwklokjes zien in het bos. In de jaren ’30 kreeg een bollenkweker toestemming om deze te kweken. Hij importeerde de bolletjes uit Frankrijk en nam daarbij ook enkele andere soorten bosplanten mee, die nog altijd in het bos voorkomen, zoals aronskelk en vogelmelk.
Door de aanleg van het bos is Texel verrijkt met vele nieuwe soorten broedvogels, bijvoorbeeld zwarte mees, grote bonte specht en goudhaan. Deze soorten werden hier voor 1900 niet of nauwelijks gezien. Er komen ook ransuilen voor en houtsnippen, die op voorjaars-avonden hun baltsvlucht uitvoeren. In de herfst zijn De Dennen rijk aan paddenstoelen, waaronder de voor duinbossen kenmerkende narcisamaniet.
Download de brochure van Staatsbosbeheer over De Dennen.



